Fans van de Doeke

De kleintjes

Taken aan boord

Tijdens wedstrijden bestaat de bemanning uit 11 of 12 personen, ieder met zijn eigen taak aan boord.

Wanneer er met groepen wordt gevaren gaan er slechts 3 vaste bemanningsleden mee. De taken aan boord zullen dan worden verdeeld onder de gasten waardoor de echte beleving van het skûtsjesilen kan worden ervaren.

Voordek:

Hier wordt primair de fok bediend. Deze dient niet alleen om het schip vooruit te krijgen maar vormt ook een belangrijk onderdeel bij het manoeuvreren van het skûtsje waardoor hoogte kan worden gewonnen in de kruisrakken en de overstagmanoeuvre zo snel mogelijk kan worden uitgevoerd.

Om optimaal te profiteren van de windvlagen wordt in het aan-de-windse rak de fok bij iedere windvlaag iets gevierd waardoor het skûtsje iets zal oploeven en dus gunstiger bij de bovenboei uitkomt. Daarna steeds de schoot weer aantrekken. Dit wordt 'melken' genoemd en is een zware klus bij harde wind.

Ook de ogen van de schipper zitten op het voordek, middels een persoon die vaak helemaal voorop de punt zit om aan te geven of we nog net wel voor een ander skûtsje langs kunnen of dat we er zo kort mogelijk achterlangs varen ingeval we zelf geen voorrang hebben.

Bij ruime wind of in het voor-de-windse rak komt de fokkeloet erbij om de fok aan de andere kant te zetten dan het grootzeil. Dit is vaak een spectaculaire klus, vooral bij harde wind.

Middendek:

De lierenkast is nog een vernuftig stukje techniek van ruim 100 jaar oud. Hiermee worden de zeilen gehesen en gestreken. Tijdens het zeilen is het vaak wenselijk om de stand van de gaffel iets te veranderen, afhankelijk van de te varen koers, om de optimale stand van het zeil te behouden.

Ook kunnen het voor- en onderlijk van het grootzeil strakker/losser worden gezet om de ideale vorm in het zeil te krijgen, afhankelijk van de koers.

Op het middendek worden ook de zwaarden bediend. Die dienen ervoor om te voorkomen dat het skûtsje in zijwaartse richting wordt geduwd door de wind (zgn. verlijeren). Het skûtsje zelf heeft slechts een diepgang van nog geen 40 cm, terwijl de zwaarden tot wel 2 meter diep kunnen worden 'gestoken'. De peiler houdt continu met een peilstok in de gaten hoe diep het water ter plekke is en hoe diep de zwaarden dus kunnen worden gestoken. Doel is om het zwaard zo diep mogelijk te steken, zonder dat het de bodem raakt.

De zwaarden zijn ook het 'scharnierpunt' in het krachtenspel van het skûtsje, in samenspel met de fok en het grootzeil. Afhankelijk van de gebruikte zeilen kunnen de zwaarden meer naar voren of naar achteren worden verplaatst.

Bij elke overstag-manoeuvre wordt het ene zwaard opgetrokken en het andere laten zakken.

Achterdek:

De schoot van het grootzeil wordt vanaf het achterdek bediend. Dit wordt meestal door 3 personen gedaan: twee om de schoot met vereende krachten aan te trekken en de derde om de schoot te 'borgen' en te voorkomen dat de 40 meter niet in de knoop komt. Voor de wind staat de giek bijna haaks t.o.v. het dek en is de schoot volledig gevierd. Aan de wind wordt de schoot zo strak mogelijk aangehaald.

Helemaal achterop staat de schipper aan het roer om de koers te bepalen en de manoeuvres in te zetten ('We gaan ré !!').

Als het skûtsje helemaal goed is uitgetrimd, met de zeilen en de zwaarden in de ideale stand, dan hoeft er nauwelijks te worden bijgestuurd en is het met name de fok die het skûtsje bestuurt.

De schipper maakt ook de tactische keuzes tijdens een wedstijd: Gaan we in de aanval op onze voorgangers, of juist in de verdediging op de achtervolgers en wat is de beste plek in het veld waarbij we zelf de volle wind hebben en anderen de wind uit de zeilen kunnen nemen.

Onderhoud

Een skûtsje heeft elk jaar onderhoud nodig, het ene jaar wat meer dan het andere.

Het schip ligt het hele jaar in de buitenlucht, waarbij zon, regen en soms een kleine aanvaring de nodige sporen achterlaten op de verf en de lak.

Na het vaarseizoen wordt het skûtsje naar Leeuwarden gevaren waar het overwintert aan het einde van de Vliet, achter de Media Markt. Hier wordt ook het onderhoud uitgevoerd door de bemanning, met de hulp van enkele vaklieden indien nodig.

Zo wordt ieder jaar het houtwerk opnieuw in de lak gezet en worden sommige delen van het skûtsje van een nieuw verflaagje voorzien.

Ook worden er soms veranderingen doorgevoerd die de prestaties van het schip ten goede komen. Zo zijn vorig jaar de zwaardsleuven verder naar achteren verplaatst.

Ook het binnenwerk wordt bijgehouden en zoveel mogelijk in originele toestand teruggebracht, zoals recentelijk de betimmering en een nieuw bovenlicht in de roef.



Onzekere factor hierbij zijn de weersomstandigheden en temperatuur. Het hoeft niet persé mooi weer te zijn, maar om de bemanning te mobilseren en ook voor schilderwerk moet het toch een paar dagen droog zijn en niet te koud.

Daarom wordt het skûtsje in April enkele weken in een droge hal gezet om de laatste klussen te kunnen klaren zodat de verf weer droog is als het skûtsje te water wordt gelaten voor het nieuwe seizoen.

Grotere klussen, zoals het maken van nieuwe zwaarden, mast en schootblokken worden uitgevoerd door experts die hierin zijn gespecialiseerd, in nauw overleg met de schipper die zijn wensen zo goed mogelijk uitgevoerd wil hebben.

Om optimaal aan de start van de IFKS wedstrijden in Augustus te verschijnen wordt het skûtsje kort daarvoor nogmaals uit het water gehaald om de onderkant zo schoon en glad mogelijk te maken. Indien nodig wordt een nieuwe laag anti-fouling aangebracht.